Verhaal

In de negende en tiende eeuw had het Utrechtse bisdom regelmatig last van invallen door Vikingen. Voor 50 jaar leven de bisschoppen daarom in ballingschap, eerst in Sint-Odiliënberg, later in Deventer. In 920 keert bisschop Balderik terug naar Utrecht. Hier helpt hij de kerk te ontwikkelen tot een centrale en machtige organisatie.

In 962 wordt Otto I door de paus van Rome tot keizer benoemd. Om de vele adellijke twisten in zijn rijk te bestrijden, investeert Otto in de opzet van een sterke kerkstructuur. Hij vindt het veilig om te vertrouwen op hooggeplaatste geestelijken - die geen nageslacht verwekken dat aanspraak kan maken op hun bezit. Een netwerk van bisschoppelijke kerken en rijkskloosters krijgt steun van Otto in ruil voor hun loyaliteit, militaire en bestuurlijke medewerking en gastvrijheid. Zo ontstond er een heuse rijkskerk.

Centraal en machtig

Ook bisschop Balderik krijgt na zijn ballingschap voor de Utrechtse kerk grote stukken land en koninklijke rechten, die veel geld opleveren. Zo ontvangt het bisdom allerlei graafschappen, het koninklijk domein in Muiden mét recht op tolheffing en recht op de visserij in het Almere (het latere IJsselmeer), de muntslag in Utrecht en een wilgenbos bij Tiel. Op die manier kan de Kerk zich ontwikkelen tot een centrale en machtige organisatie.

Reliekenjager

Daarbij past de indrukwekkende collectie relieken, die bisschop Balderik bijeenbrengt voor 'zijn' Kerk. Hij speurt rond in binnen- en buitenland, op zoek naar de resten van heiligen en brengt deze naar Utrecht. Als reliekenjager brengt hij onder meer de relieken van de heilige Odulfus naar de Sint-Salvatorkerk, waar vanaf dat moment een belangrijk bedevaartsoord voor deze heilige ontstaat.

meer

organisaties

meer