Verhaal

In tegenstelling tot middeleeuwse kastelen hoefden de buitenplaatsen niet verdedigbaar te zijn. Ze verrezen in de 17de eeuw langs de Amstel, de Vecht en andere aantrekkelijke plaatsen als Kennemerland, ’s Graveland, de Vaartse Rijn of het Eemland. Zulke huizen zijn ook nu nog een toonbeeld van grandeur, elegantie en rijkdom.

Door Elian de Jonge

Een buitenplaats begon vaak de het sierlijke smeedijzeren toegangspoort, zoals bij Doornburgh. In het hoofdgebouw woonden de familie en het personeel. Er was een koetshuis, al dan niet met stallen. En een oranjerie, om kwetsbare planten veilig te stellen. Aan het water lag soms een boothuis. Aan de rand van het terrein, met een mooi uitzicht, stond een theekoepel. Om het huis was het terrein verdeeld in siertuinen met waterpartijen, moes- en kruidentuinen en een visvijver. Soms was er een boerderij op het terrein en schuren met dierenverblijven. De dikwandige ijskelder was de plek om blokken ijs op te slaan, waarin - als het meezat - voedsel en dranken langer dan een jaar konden worden gekoeld. 

Groots, maar niet protserig

De dominante bouwstijl van de 17de eeuw was het Hollands classicisme. Klassieke uitgangspunten werden streng toegepast. Er was symmetrie en regelmaat, in zowel huis als tuin, want die vormden één geheel. Ramen en indelingen van gevels hadden vaste verhoudingen. Gevels werden soms gesierd door zuilen of daarvan afgeleide vormen. Decoraties waren over het algemeen sober en ingetogen. Het geheel oogde groots zonder protserig te zijn. Tot in de 18de eeuw waren de huizen langs de Vecht vaak vierkant met een hoog schilddak, zoals Goudestein in Maarssen. De entree kreeg extra aandacht; die werd vaak naar voren geplaatst, met versieringen die zich over meer etages kon uitstrekken. Waar voorheen middeleeuwse kruiskozijnen werden gebruikt, kwamen er na circa 1680 schuiframen, voor het eerst toegepast in Engeland. Erkers boden een goed uitzicht. Pas in deze tijd werd ‘architect’ een echt zelfstandig beroep. Grote namen waren die van Philips Vingboons, Daniel Marot en Jacob van Campen. Bekende huizen zijn Gunterstein en Sterreschans bij Breukelen, Bolenstein en Doornburgh bij Maarssen. 

Interieurs

De familie had doorgaans twee woonverdiepingen tot zijn beschikking. In het souterrain waren werkvertrekken, zoals keukens, voorraadkamers, wasruimtes, de wijnkelder en de linnenkamer. Het personeel sliep in het souterrain of op zolder. Daar hing ook de was te drogen. De inrichting verschilde weinig van die van de grachtenpanden waar de familie de rest van het jaar woonde, met marmeren vloeren, sierlijk stucwerk, gebeeldhouwde eikenhouten trappenhuizen, wandtapijten en muurschilderingen. Het meubilair in Franse stijl deed daar evenmin voor onder. Het mocht mooi en comfortabel zijn en status telde ook hier.

meer
meer