Verhaal

Velen kennen Pierre Cuypers als de grote man van de neogotiek. Maar in Utrecht zijn veel neogotische kerken van de hand van een andere architect: Alfred Tepe. Deze enorm productieve architect droeg ertoe bij dat veel katholieken in de 19de eeuw nieuwe Godshuizen kregen en hun identiteit hervonden.

Door Elian de Jonge

De Amsterdamse Willem Victor Alfred Tepe (1840-1920) was een zoon van Duitse immigranten. In 1865 werkte hij mee aan de voltooiing van de Dom in Keulen. Later zou hij in het bisdom Utrecht zijn belangrijkste sporen nalaten. Toen de katholieke kerk en cultuur, na eeuwen van onderdrukking, halverwege de 19de eeuw weer opbloeiden, ontstond behoefte aan nieuwe kerkgebouwen. Dat bepaalde mede Tepe’s voorspoedige carrière.

Katholieke bouwstijl

De gotiek was sinds de 12de eeuw ontwikkeld in de kathedraalbouw en daarmee verbonden met de hoogtijdagen van dit geloof. De stijl symboliseert de continuïteit van het katholicisme door de eeuwen heen. De katholieke kerk zag de gotiek daarom als de enig waarachtig christelijke bouwstijl. Tepe en veel tijdgenoten bouwden in een 19de-eeuwse versie daarvan: de neogotiek.

Ruimte, licht en rijke decoraties

In veel Utrechtse dorpen en steden staat wel zo’n kerk: een ranke toren met puntdak, en dunne, hoge muren met grote, kleurrijk gebrandschilderde ramen. Slanke, gebundelde pijlers, steunberen en luchtbogen reiken naar de hemel en dragen de kruisribgewelven van het dak. Portieken, nissen en ramen hebben elegante spitsbogen. De daken zijn hoog en schuin, met pinakels en puntige torentjes.
Ze hebben iets dramatisch. Het interieur is indrukwekkend vanwege de ruimte, het licht en de rijke decoraties met veelkleurige schilderingen, beelden en symbolen.

Het Utrechts kwartet

Tepe ontmoette kerkbestuurder Gerard van Heukelum van het aartsbisdom Utrecht. Deze had reeds beeldhouwer/schilder Mengelberg, glazenier Geuer en edelsmid Brom aan zich gebonden. Met hen vormde Tepe later ‘het Utrechts kwartet’. Na wat kleine opdrachten te hebben vervuld, werd Tepe ‘goedgekeurd’. In 1871 bouwde hij voor zijn gezin en dat van Mengelberg een dubbel woonhuis aan de Maliebaan, nummers 82 en 83 en verhuisde in 1872 naar Utrecht. Toen Van Heukelum in 1873 pastoor werd in Jutphaas, liet hij Tepe daar de Sint Nicolaaskerk bouwen. Tepes ontwerpen volgden de Nederrijnse gotiek: van buiten baksteen, van binnen bepleisterd en beschilderd. Hij maakte de buitenkant ingetogen, zonder ornamenten. De interieurs daarentegen, werden luisterrijk versierd, door de kunstenaars met wie Tepe het ‘kwartet’ vormde. Bij de Nicolaaskerk waren allen betrokken.

Gilde

Tepe en Van Heukelum zagen elkaar ook bij het Sint Bernulphusgilde, de vereniging die streefde naar toepassing van de (neo)gotiek in kerkelijke architectuur en kunst. Dankzij Van Heukelum had Tepe zowat een monopolie in het aartsbisdom, waar hij tussen 1871 en 1905 zo’n zeventig kerken bouwde. Juist vanwege het fantastisch gedecoreerde interieur wordt vaak de Utrechtse Willibrorduskerk geroemd. Daaraan zie je dat Tepe zijn kerken goed inpaste in de beschikbare ruimte en ze liet opgaan in hun omgeving.

Niet vergeten

Tepe was ook bekend buiten Nederland. Toen werk hier uitbleef, verhuisde hij in 1906 naar Duitsland. Daar bouwde hij nog kerken, maar met meer natuursteen. Vrijwel tachtig jaar oud, overleed hij in 1920. Nederland was hem niet vergeten.
Een der beste kunstenaars is in hem heengegaan,’ schreef De Tijd, die enkele van Tepe’s kerken omschreef als ‘… stalen van zijn ongemeen liefdevol verzorgde gotische kunst’.

meer
meer