Verhaal

Tegenwoordig gaat ieder kind op vierjarige leeftijd naar de basisschool. We kunnen ons dan ook moeilijk voorstellen dat in de 19de eeuw minder dan de helft van de kinderen tussen de 6 en 12 jaar nauwelijks naar school ging. Ze leerden van hun ouders en pikten hun kennis op uit de praktijk.

Omdat ouders in de 19de eeuw niet verplicht waren hun kinderen naar school te sturen, werd het schoolbezoek vooral beïnvloed door de financiële situatie van het gezin. Veel ouders hadden onvoldoende inkomen om het schoolgeld te betalen. Dikwijls werkten de kinderen om het gezinsinkomen aan te vullen.

Nationale schoolwet

In 1801 kwam de eerste nationale schoolwet tot stand, gevolgd door een wet in 1806. Deze wetten waren organisatorisch van aard: het onderwijs moest een algemeen christelijk karakter krijgen. Ook moest er klassikaal les gegeven worden waarbij leerlingen gegroepeerd werden naar leeftijd. Zo kon de leraar zo'n groepje gelijktijdig instrueren en hetzelfde werk laten doen. Lezen en godsdienstonderwijs waren de belangrijkste vakken. Schrijven werd eerder als een kunst gezien en rekenen had geen prioriteit, dat leerde een kind wel in de dagelijkse praktijk. Van schoolplicht was geen sprake; de overheid stimuleerde de schoolgang door staatsscholen op te richten. Deze waren niet langer een instrument van de kerk, maar onafhankelijk. Ondanks dat (staats)scholen godsdienstloos moesten zijn, vertolkten de dorpsscholen dikwijls de religieuze opvatting van haar gemeente. In de stad was uiteraard een groter aanbod en verscheidenheid aan scholen. In de wet van 1806 werd bovendien een onderscheid gemaakt tussen openbare en bijzondere scholen - een onderscheid dat zou uitgroeien tot de bekende 'schoolstrijd'.

Discussie

Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw kwam een omslag in het denken over onderwijs. Katholieken vonden het openbaar onderwijs te protestants; protestanten vonden het klassikaal onderwijs geen verbetering. En ook uit diverse andere kringen van de samenleving groeide de kritiek op het onderwijs. Deze ging vaak samen met de kritiek op kinderarbeid. Door de komst van fabrieken ging men kinderarbeid als onwenselijk en ongezond beschouwen. Bovendien bracht de industriële revolutie een sterke groei van administratieve en dienstverlenende functies met zich mee. Dit deed de vraag naar geschoolde en gekwalificeerde arbeidskrachten toenemen. De discussie over verbetering van onderwijs werd een politieke kwestie, en mondde uit in de roemruchte 'schoolstrijd'.

Schoolstrijd

Zowel het recht om scholen op te richten volgens de eigen levensbeschouwing als de bekostiging van scholen kwam in de tweede helft van de 19de eeuw hoog op de politieke agenda te staan. In 1857 werd dan wel de vrijheid van onderwijs ingevoerd, maar waar de staatsscholen voor een deel gesubsidieerd werden, moesten de bijzondere scholen zelf voor de kosten opdraaien. Zij waren dan ook voor hun inkomsten geheel afhankelijk van het schoolgeld. Deze financiële ongelijkheid van de bijzondere scholen leidde tot grote woede bij de katholieken en protestanten. De schoolstrijd ging dan ook onverminderd door.

Leerplicht

Deze boosheid had tot gevolg dat eind 19de eeuw verschillende christelijke politieke partijen werden opgericht, die snel veel macht verwierven. In 1888 kwamen katholieken en protestanten in de regering, die veranderingen in de onderwijswet doorvoerden. Ook bijzondere scholen kregen nu gedeeltelijk overheidssubsidie, maar pas in 1920 was er sprake van volledige gelijkstelling. Ondertussen was in 1901 de leerplichtwet ingevoerd: kinderen tussen de 6 en 12 jaar moesten nu verplicht naar school.

meer

verhalen

meer