Verhaal

Vanaf het einde van de 18de eeuw oefent de Utrechtse Heuvelrug aantrekkingskracht uit op stichters van buitenplaatsen. De bereikbaarheid van het Heuvelruggebied verbetert na de verharding van de straatweg tussen Utrecht en Rhenen in 1818, maar krijgt na 1850 een nog krachtiger impuls door de aanleg de spoorlijn Utrecht – Arnhem.

Explosie

De ontwikkeling van de buitenplaatsen op de Heuvelrug start vanuit de stad Utrecht en schuift zo langs de lijn van het karrenspoor langzaam op naar het oosten. De spoorlijn Utrecht-Arnhem zorgt vanaf 1843 voor een nog betere verbinding en ontsluiting. Deze spoorlijn loopt van Utrecht via Zeist en Driebergen en vervolgens bovenlangs de Heuvelrug via Maarn en Veenendaal naar Arnhem. In de tweede helft van de 19de eeuw vindt er zo’n bouwexplosie van buitenplaatsen op de Heuvelrug plaats dat men van een ‘Stichtse Lustwarande’ is gaan spreken. De eigenaren kwamen alleen in de zomer over uit Utrecht of Amsterdam; in de winter waren de huizen te koud om te bewonen en dan speelde het werkende en sociale leven zich af in de stad. Nog altijd schitteren op de Heuvelrug buitenplaatsen als Beerschoten, Oostbroek, Vollenhove, Houdringe, Beek en Roijen, Sparrendaal, Hydepark en Aardenburg.

Bosbouw

Overigens is de Heuvelrug in de 18de eeuw lang niet zo bebost als tegenwoordig. In de 19de eeuw begonnen sommige landhuiseigenaren met het aanleggen van parkbossen op hun landgoed, zoals de Heer van Amerongen. Ook worden vanaf 1800 - onder meer door de eigenaar van Sparrendaal - grote stukken heidegebied ontgonnen om er productiebossen aan te planten. Dit leidde soms tot grote ontevredenheid bij de boeren, die op de heide hun schapen lieten grazen. Deze bossen zijn niet alleen een fraaie landschappelijke omlijsting van het landgoed; het bracht vooral geld in het laatje. Productiebossen voor de verkoop van hakhout zorgden voor een aardige bron van inkomsten. 

meer

Gerelateerde objecten

meer