Verhaal

Het boerenerf is in feite een ‘bedrijfsterrein’ waarop zowel wordt gewerkt als gewoond.  Met het verschil dat een boerenerf mooi in het groen en het landschap ligt in plaats van op een stenig bedrijventerrein. Op het erf staan en liggen alle gebouwen, bijgebouwen en elementen die een boer nodig heeft om zijn bedrijf uit te kunnen oefenen. Kenmerkend is dat ieder onderdeel op het erf zijn vaste plaats heeft.

Wie aan een ‘boerderij’ denkt, ziet meestal het boerenerf voor zich en dat is aanzienlijk meer dan alleen een hoofdhuis. De meeste mensen zien ook een hooiberg voor zich, en veel mensen ook een paar appelbomen of leilinden, een moestuin en een varkensschuur. Dat beeld is vaak al lang achterhaald. Hoeveel hooibergen weet u bijvoorbeeld bij u in de buurt nog te staan? Als traditionele voorstelling van een boerderij klopt het beeld wel degelijk en is een boerderij een complex van gebouwen en begroeiing. De boerenerven zijn de kernen waaruit het landschap is opgebouwd.
Een boerenerf heeft een vaste indeling, maar niet ieder erf heeft dezelfde indeling. Primair is het verschil in ondergrond bepalend voor de verschillen in boerenerven. Daarnaast speelt ook het type agrarische bedrijfsvoering een rol. Zand, klei en veen zijn de drie meest voortkomend grondsoorten. Zand- en kleiruggen zijn hoger gelegen gebieden, waar het water makkelijk op een natuurlijke manier kan afvloeien. In het veen kan het water alleen maar weg via een slotensysteem.

Op het zand

De kavels op zandgronden zijn vaak blokvormige, vrij brede onregelmatige rechthoekige percelen. De vorm en afmeting zijn afhankelijk van zowel de hoogteverschillen als de afwateringsmogelijkheden. Op de perceelgrens werd gewoonlijk een lage aarden wal opgeworpen, die men met hakhout liet begroeien. Omdat het erf vrij breed en ondiep was, konden de gebouwen over het erf verspreid worden. Op zand is zowel akkerbouw als veeteelt mogelijk; het gemengde bedrijf is er het meest voorkomende type agrarisch bedrijf.

Op de klei

In het rivierengebied  zorgde elke overstroming ervoor dat er een laagje klei op het zand werd afgezet. Dit eeuwenlange proces zorgde voor een smalle en vruchtbare oeverwal langs de rivierbedding, die zeer geschikt bleek te zijn voor fruitbomen. Aanvankelijk kwam er ook akkerbouw voor, maar door specialisatie en mechanisatie bleef de fruitteelt over. Hier ontstond eenzelfde soort blokverkaveling als op de zandgronden.
Het verhaal van de lage polders achter de oeverwal is heel anders: die moesten ontgind worden. Dwars op de rivier werden daartoe in de middeleeuwen afwateringssloten gegraven en daartussen ontstonden zo lange, smalle kavels. Omdat de erven hier smal waren, kregen de gebouwen achter elkaar op het erf hun vaste plek. In de lage polders verdween de akkerbouw op den duur. Je treft er nu alleen melkveehouderijen aan.

Op het veen

West-Utrecht was voor de middeleeuwen in feite één groot moeras. Die moerassen werden vanaf de twaalfde eeuw ontgonnen. Een ontginningsovereeenkomst werd een ‘cope’ genoemd en het ontgonnen landschap wordt nog altijd een copenlandschap genoemd. Of ‘slagenlandschap’, afgeleid van het ‘slaan’ van de sloten en de kavels in het moeras. Door het ontwateren klonk het veen in, waardoor de bodem begon te zakken. Dat vereiste nog meer sloten en later windmolens voor de afwatering. Het veenweidegebied is als gevolg hiervan na verloop van eeuwen een smal slotenlandschap geworden met een boerenerf dat er als ‘eiland’ in ligt. Ook in de veengebieden is alleen nog veeteelt mogelijk; geen akkerbouw meer.

Bronnen

- Het grote boerderijenboek ISBN 978 90 400 0758 3
- Linten in de Leegte ISBN 9789081346412
- Kleur op boerderijen ISBN 9080803874
- Boerenerven in de provincie Utrecht (3 delen) ISBN 90- 802464-1-7

meer

Gerelateerde objecten

meer