Verhaal

Aan het begin van de 18de eeuw ging het steeds slechter met de touwindustrie in Oudewater. Er werden minder zeeschepen gebouwd en dus er was minder vraag naar touw. Dat betekende ook dat er minder te verdienen was voor de lijndraaiers. Als gevolg daarvan werd de 'lijndraaiersknechtsgildebeurs' opgericht - een soort arbeidsongeschiktheidsverzekering avant la lettre.

Door Nettie Stoppelenburg

Omdat Oudewater een vestingstad in de Hollandse Waterlinie was geworden, mochten de lijndraaiers niet meer op de wallen werken. Oudewater was er altijd zo trots op geweest dat ze alleen de beste kwaliteit touw leverden, maar goed is ook duur. De klanten wilden liever goedkoper touw. En dus liepen de inkomsten steeds verder terug.

De touwslagersbazen hadden nog wel wat reserves voor slechte tijden, maar de knechts niet. Geen werk, geen loon en dus geen brood. Ziek? Dan ook geen loon. In dit soort gevallen waren het sinds de middeleeuwen vaak de gildes die opkwamen voor het welzijn van de ambachtslieden. Zo ook in Oudewater: het lijndraaiersgilde en het stadsbestuur begrepen dat er wat moest gebeuren. 'De tijden zijn slecht', noteerden ze, en dus konden de knechts zelf niet genoeg sparen voor als ze ziek werden.

Uitkering

In 1731 werd daarom een lijndraaiersknechtsgildebeurs opgericht. De knechts droegen elke week een klein deel van hun salaris af. Als een knecht meester werd, moest hij zelfs 25 gulden afdragen. Dat geld ging in de beurs en met dat geld kon een zieke knecht een uitkering krijgen. In ieder geval genoeg om van in leven te blijven. Er werd zelfs een dokter gecontracteerd om bij de zieken langs te gaan.

De lijndraaiersknechtsgildebeurs werd al snel populair. Zieke knechts, zieke spinsters en ook de zieke kinderen die aan het grote wiel moesten draaien, ze staan allemaal in de lijsten. Maar er moest meer worden uitgekeerd dan er binnenkwam en dat ging natuurlijk niet. Het stadsbestuur scherpte de regels aan. Vrouwen en kinderen kregen geen uitkering meer. Wie ziek was ten gevolge van een vechtpartij of van een 'Venus-ziekte' (de historische benaming voor syfilis – ja, dames van lichte zeden waren er ook in Oudewater) kreeg geen uitkering. Een knecht moest minstens een jaar in de stad gewoond en gewerkt hebben voordat hij een uitkering kon krijgen.

Nieuwe dakkapellen

Om de administratie en het geld op te bergen, maakte timmerman Gerrit de Jongh in 1739 een mooie kist met lades. Hij kreeg er 50 gulden voor. Schilder Hendrik Admiraal voorzag de kist van een verflaagje met bovenop het deksel het wapen van Oudewater. Die kist is nu te zien in Het Touwmuseum in Oudewater.

De lijndraaiersknechtsgildebeurs bleef bestaan tot 1917. Toen was er nog maar één touwslager die afdroeg aan de beurs, Cornelis Rood. Het gemeentebestuur besloot dat ze touwslager Rood wel uit de gemeentekas zouden betalen als hij ziek werd. Zo kon de beurs worden opgeheven. Wat er met het overgebleven geld gebeurde? Daarmee kon mooi de stadhuiszolder worden voorzien van dakkapellen voor de ambtenaren die daar moesten werken.

Aanvullende literatuur

- Nettie Stoppelenburg, 'De Hollandse Waterlinie en haar gevolgen voor de economie van Oudewater', in: Heemtijdinghen 2009, jaargang 45.

meer
meer