Verhaal

Buitenplaatsen waren zomerse toevluchtsoorden voor de families van rijke kooplieden en bestuurders. Zij genoten er van frisse lucht, een gezond landleven en allerlei vormen van ontspanning. Hun sociale leven ging gewoon verder. Men zocht elkaar op om te praten, spelletjes te doen en om te pronken met huis, interieur en tuin.

Door Elian de Jonge

Buitenplaatsen waren grote huizen met bijgebouwen en bewerkelijke tuinen. Een deel van de huisraad, kleding en meubels ging ’s zomers mee naar de buitenplaats. Boedelinventarissen vermelden theetafels, bedden en kasten, schilderijen en (wand) tapijten, biljarttafels, tabaks- en snuifdozen en hengels. Men verhuisde meestal met de regelmatig varende trekschuiten. De buitenhuizen lagen niet voor niets aan het water, zoals de Amstel en de Vecht. 

Personeel

De buitenplaats functioneerde niet zonder personeel, gemiddeld zo’n zes tot acht bedienden: koetsier, kok, linnenmeid, dienstbodes en voor de kinderen een kindermeid of gouvernante. Zij reisden vooruit om het huis te luchten, schoon te maken en verder voor te bereiden op de komst van de familie. Die kwam per koets. Voor de tuin moest het hele jaar worden gezorgd, dus was de tuinman permanent aanwezig op de buitenplaats. Ook werd lokaal wel eens personeel ingehuurd. De heer des huizes vertrok regelmatig naar de stad: de handel ging door en er moest geld worden verdiend. In enkele gevallen konden zij aan huis werken: eigenaren van industrieën buiten de stad bouwden op het terrein van hun fabriek een buitenhuis. ‘Zijdebalen’ aan de Vecht bij Utrecht was gebouwd bij een zijdefabriek.

Kunstenaars en intellectuelen

Er was veel belangstelling voor wat groeit en bloeit en voor het kweken van bijzondere soorten. Op het menu stonden seizoensproducten. Kinderen hielpen het personeel bij de oogst en het schoonmaken van het fruit dat werd ingemaakt. Dieren hoorden bij de buitenplaats; paarden voor koets, honden voor de jacht of als huisdier. Er was een kleine veestapel voor melk, vlees en eieren. Een populaire bijverdienste was in de 17e eeuw de verkoop van eigenhandig vetgemeste ossen. Het sociale leven ging door tijdens visites, diners, picknicks, feesten en bruiloften. Banden werden aangehaald, nieuwe contacten aangeknoopt. Familie, vrienden en zakenrelaties waren welkom voor langdurige logeerpartijen. Kunstenaars en intellectuelen werden uitgenodigd om het leven te veraangenamen, én om te imponeren. Zo was de legendarische Constantijn Huygens in 1656 te gast op Goudestein (Maarssen). Zijn plezierig verblijf inspireerde hem tot liefst drie gedichten over de buitenplaats.

Theekoepels

Er werd gejaagd en paardgereden. De rivier leende zich voor vaartochtjes en voor het vissen. Volwassenen zochten de rust in een boek of in de dichtkunst. Of zij musiceerden, speelden kaart of keuvelden wat bij een kopje thee. Nu nog zie je langs de Vecht en elders de sierlijke theekoepels van waaruit men een prachtig zicht had op het water en op wie er voorbij kwam. De tuinen nodigden uit tot wandelen. Ook daar ging het pronken verder, met exotische gewassen, prachtige pauwen, waterpartijen of een doolhof. Joost van den Vondel (1587-1679) vatte het aardig samen in bijgaand gedicht.

meer
meer