Verhaal

Kleurrijk en multicultureel is de provincie Utrecht van oudsher al geweest. Utrecht ligt precies op een kruispunt van weg- en waterwegen, waardoor er al sinds de Romeinse tijd militairen, handelaren en gelukszoekers door het gebied heen trokken. Sommigen bleven en vestigden zich ter plaatse.

Veel immigranten kwamen als trekarbeiders naar Utrecht. In de 17de eeuw trokken seizoenarbeiders vanuit het oosten van Nederland en uit Duitsland naar het Utrechtse platteland. Zij hielpen mee met het onderhoud aan dijken en wegen, turfwinning en maaien en oogsten op de akkers. De meesten gingen aan het einde van de zomer weer huiswaarts, maar niet iedereen. Sommigen trouwden in Utrecht en gingen hier wonen. Anderen kregen een jaarcontract van de eigenaar van een buitenplaats. Na verloop van tijd kwamen er nieuwe immigranten naar vrijwel alle Utrechtse dorpen. Na het midden van de 19de eeuw werden alleen nog tijdelijke arbeiders aangetrokken voor speciale projecten. Een voorbeeld is het Centraal Station, dat in 1894 met behulp van Vlaamse arbeiders is gebouwd.

Molukkers

Een voor Utrecht belangrijke stroom nieuwkomers diende zich aan in 1951, twee jaar na de verzelfstandiging van Indonesië. Het koloniale leger van Nederland (het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger - KNIL) was daar toen opgeheven, maar veel Molukkers die Nederland hadden gediend wilden zich niet aansluiten bij de Republik Indonesia. Daarom streefden zij -tevergeefs- naar een onafhankelijke Molukse staat. In die tijd verbleven zij in kampen op Java. Hun voormalige werkgever, de Nederlandse overheid, besloot de groep tijdelijk naar Nederland te halen. 4000 voormalige KNIL-militairen kwamen met hun gezin naar Nederland. Zij kwamen in Kamp Amersfoort terecht, waarna de gezinnen over ‘woonoorden’ werden verdeeld. Drie van zulke opvanglocaties lagen in Woerden. Toen het verblijf in Nederland na verloop van tijd permanent bleek te zijn, vond het merendeel van de gezinnen woonruimte in de directe omgeving: Woerden, Breukelen en het Zuid-Hollandse Waddinxveen.

Gastarbeiders

In de welvarende jaren '60 kwamen de eerste gastarbeiders naar Utrecht. In de stad Utrecht was vooral veel werk in ‘de metaal’. Arbeiders uit Spanje, Joegoslavië, Turkije, Marokko en Griekenland werden actief geworven door de metaalfabrieken. Denk hierbij aan fabrieken als staalgieterij Demka, treinfabriek Werkspoor en de machinefabriek Jaffa. Ook textielfabrieken trokken gastarbeiders aan, zoals in Veenendaal. Na de neergang van de Utrechtse metaal in de jaren '80 gingen sommige arbeiders terug naar hun geboorteland. Dit geldt vooral voor de Spanjaarden. Marokkanen, Turken en Grieken bleven meestal in Utrecht.

Een uit Griekenland afkomstige gastarbeider (Utrechts Nieuwsblad, 20 mei 1989):

“We verzamelden ons in de grote stationshal. Het was voor ons een soort ontmoetingscentrum en banenmarkt tegelijk. Daar werd informatie uitgewisseld over de fabrieken en de pensions. De nieuwkomers wisten dat ze 'de ouden' daar konden vinden. Voor de koffie gingen we naar de tweede klas restauratie (in de eerste klas mochten we niet). Aan de overkant, bij Du Commerce, werkte een Griekse ober, de enige Griek die een schoon beroep had. Bij hem konden we namen van fabrieken krijgen die gastarbeiders aannamen zonder verblijfsvergunning."

Wonen

Gastarbeiders waren in het begin uitgesloten van de sociale huursector. Daarom woonden zij vaak in pensions of ze waren gedwongen om een huis te kopen. Zo kwamen er veel Turken in Lombok te wonen, waar de huizen nog net betaalbaar waren voor hen. Begin jaren ’80 werd het de overheid duidelijk dat het verblijf van de meeste gastarbeiders niet meer zo tijdelijk was. Daarom kregen zij toen toestemming om te huren. Veel Turken en Marokkanen gingen wonen in naoorlogse wijken, zoals Kanaleneiland.

Bekijk ook de Canon van de stad Utrecht voor meer informatie over dit onderwerp en andere hoogtepunten uit de geschiedenis van de stad.

meer

verhalen

Gerelateerde objecten

meer