Verhaal

Het rommelt in Europa aan het eind van de jaren dertig van de vorige eeuw. De Nederlandse regering handhaaft de neutraliteit en versterkt de defensie. Gemeentes, waterschappen en burgers krijgen ook een taak. Zo moeten de gemeentes Schalkwijk (ruim 1.400 inwoners) en Tull en ’t Waal (bijna 500 inwoners) zich voorbereiden op een eventuele oorlog. Beide liggen in het gebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dat betekent dat grote stukken land in tijd van oorlog onder water gezet worden en dat de bevolking en het vee moeten vertrekken.

Op 29 augustus 1939 kondigt de regering de algemene mobilisatie af van het Nederlandse leger. Schalkwijk en Tull en 't Waal stromen vol met militairen. Burgers zijn niet altijd blij met de militairen en de verstoring van het normale leven door de beperkende maatregelen die worden afgekondigd. De aanvraag van een café om langer open te mogen zijn voor de militairen wordt afgewezen. Ook zijn er de herinneringen aan negatieve ervaringen met militairen tijdens de mobilisatie in 1914. Toen was er overlast, omdat boeren bijvoorbeeld veel meer militairen op hun bedrijf kregen dan was afgesproken.

Oorlog en evacuatie

Iedereen had gehoopt dat het niet zo ver zou komen, maar dan is het op 10 mei 1940 toch opeens oorlog. Vanwege de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de spoorbrug over de Lek bij Culemborg zijn er Duitse vliegtuigen in de lucht en wordt er geschoten. De inundaties worden in werking gesteld, zodat grote stukken land onder water lopen. De evacuatie van de burgerbevolking en vee komt serieus in beeld. Op 13 mei moet de bevolking vertrekken. Maar alleen de aftocht van de zieken is geregeld.

Herinneringen aan de evacuatie

Piet Heijmink Liesert, destijds bijna 4 jaar oud: "Toen bij het uitbreken van de oorlog het bevel tot evacuatie was gegeven, moesten de inwoners zelf maar zien hoe zij in Vreeswijk kwamen. Er was geen vervoer geregeld. In Vreeswijk werden de mensen ingescheept in een kolenschuit. De schuit ging de Lek op richting het westen naar Schipluiden". Piet kan zich het nog herinneren, omdat voor kinderen geen toiletgelegenheid was geregeld. "Zij moesten maar op een emmer in het ruim."

Dora van Wijk, destijds 11 jaar: "Ik herinner mij nog heel goed. We zaten in wat wij noemden het wagentje. (...) We waren onderweg en het water kwam al opzetten, voor de kerk. We hadden Cora, dat was een van onze paarden. Het was het meest rustige paard wat we hadden. Die zag het water komen en die maakte een bocht naar links, naar de linkerkant van de weg, en we schrokken. Ik was als de dood dat we in de Wetering terecht zouden komen. Dat angstmoment herinner ik mij nog héél goed."

Terugkomst

Als de bewoners later terugkeren is de situatie zeer verschillend. De geïnundeerde gebieden hebben waterschade. De inwoners treffen hun bezittingen soms compleet vernield aan, soms ongestoord en alle varianten daartussen. Dora van Wijk: "Er was niets vernield." Bij Adriaan Verhoef die in dezelfde straat woonde, waren de inmaakflessen gebruikt, maar was verder niets kapot. Maar bij een van de boerderijen bij het Werk aan de Groeneweg blijkt het zilverwerk gestolen, is het linnengoed verscheurd en gebruikt om gewonden te verbinden en ligt de voorkamer vol met kleren onder het bloed.

Meer lezen over dit onderwerp?

Christ Essens, ‘Tussen hoop en vrees. Burgers en militairen in Schalkwijk en Tull en ’t Waal voor en tijdens de mobilisatie van 1939 en in mei 1940’, in: Jaarboek Oud Utrecht 2015, 253-278.

Dit verhaal is voortgekomen uit de werkgroep Oorlog en Vrede. Onderzoekers hebben onder leiding van Landschap Erfgoed Utrecht de menselijke kant van het Utrechtse militaire verleden bestudeerd. Alle artikelen uit de werkgroep zijn te lezen in Jaarboek Oud-Utrecht 2015.

meer
meer