Verhaal

Wandelend of fietsend door het Rivierengebied van Utrecht komt u grienden tegen. Grienden zijn stukken land, beplant met wilgen die periodiek worden afgezaagd. De wilgen vormen een ideale leefomgeving voor verschillende vogels. En de tenen en takken die de wilgen produceren worden ook nu nog veelvuldig gebruikt onder andere voor het vlechten van manden. Wist u dat het woord ”uitschot” afkomstig is uit het griend? Uitschot betreft de nutteloze zijtakjes, die verwijderd moeten worden van het hout.

Grienden waren nuttig voor het vangen en vasthouden van slib in de uiterwaarden, maar het belangrijkste was de productie van wilgentenen en -takken. De wilgentenen werden gebruikt voor de mandenmakerij en de takken hadden diverse toepassingen, bijvoorbeeld om hekken te vlechten. Ook werden takken gebruikt in de dijkenbouw.

Hoepmakerijen 

In de Lopikerwaard vond het overgrote deel van de wilgentenen zijn weg naar de hoepmakerijen in de stad IJsselstein. Hoepen waren de gebogen twijgen, die als hoepels om de tonnen werden geklemd. Tonnen waren hèt verpakkingsmateriaal van de vroegmoderne tijd. De hoepindustrie kon worden uitgebreid in slechte tijden. Grasland werd dan omgezet in griendland als er bijvoorbeeld veepest heerste of het land erg nat was door dijkdoorbraken. Door de natte ondergrond was er weinig keuze: gras of griend. Iets anders wilde er niet groeien.
Er was een onderscheid tussen snij- en hakgriend. Eerstejaars snijteen was geschikt voor broedkorven. Teen van het tweede jaar was voor de mandenmaker. Afhankelijk van dikte en lengte onderscheidde men “davidjes”, “telhout”, “stikteen”, “mandemaker” en “mopjes”. 
De teen werd opgebost en in het water gezet. Snijgrienden werden dus jaarlijks geoogst, hakgrienden na 2 tot 4 jaar. Daaruit kwam “kit”, “karreband”, “halffaas”, “tonneband”, “bonenstokken” en “tienvoeters”. Tienvoeters waren 10 voet (± 3 meter) lang en werden opgestapeld in een stuik en verkocht per vim (104 bossen).

Natuurwaarde

De economische betekenis van deze oude landbouwcultuur op natte gronden is verdwenen. Slechts hier en daar zijn nog uitgestrekte grienden aanwezig. De rijkdom aan planten en dieren van dit soort landjes is echter erg groot. Door de dichte begroeiing vormen de grienden een ideale schuilplaats voor tal van zoogdieren, waaronder reeën. Tegen de schemering kun je ze uit de grienden (hun dekking) tevoorschijn zien komen om in de aangrenzende weilanden te gaan grazen.
Ook zijn er veel vogels te vinden in de grienden. Jonge grienden worden vooral bevolkt door zangvogels, die er volop nestgelegenheid en voedsel (insecten) vinden. Je treft er onder meer matkopmezen, fitissen, grasmussen, braamsluipers, spotvogels en verschillende soorten rietzangers als broedvogel aan. Oudere grienden met holle bomen zijn aantrekkelijk voor uilen en roofvogels.

Aanvullende literatuur

- Boerenland als natuur; verhalen over historisch beheer van kleine landschapselementen (Paul Burm, Adriaan Haartsen).

 

meer

verhalen

Gerelateerde objecten

meer