Wat groeit en bloeit er op een erf?

5 min

Een boerderij was in het verleden een gemeenschap die volledig in haar eigen behoeften moest kunnen voorzien. Brood, groente, vlees en melk produceerden ze zelf; een supermarkt bestond niet. Alle gebouwen op het erf hadden allereerst een nutsfunctie. Dat gold ook voor de groene elementen: de notenboom was er voor de oogst en niet om in zijn schaduw te kunnen luieren.

Het erf was in de winter een grote modderpoel. Waar veel gelopen werd, legde men een pad aan. Bijvoorbeeld van keien of van aangestampte aarde met sintels. Als beschutting en bescherming van de boerderij tegen regen en wind plantte men een bomenrij of een singel langs het erf. In polderlandschappen bestond zo'n rij meestal uit knotbomen. Omheiningen van het erf werden gevormd uit wilgentenen, uit vlechtheggen of houtwallen. Voor het woonhuis stonden leilinden als zonwering en deze zorgden tevens voor koeling van de kaaskelder. Ook solitairen als een lindeboom, een notenboom of een kastanjeboom waren nuttig: ze zorgden voor zowel schaduw als oogst. Van de bloemen van de lindeboom werd lindehoning of lindebloesemthee gemaakt.

 

Boer en boerin hadden de taken en het werkgebied strikt verdeeld: het voorerf was het werkgebied van de vrouw, het achtererf dat van de man.

Boer en boerin hadden de taken en het werkgebied strikt verdeeld: het voorerf was het werkgebied van de vrouw, het achtererf dat van de man. Het domein van de boerin was niet alleen het huis, maar ook het voorerf met tuin, boomgaard en de bleek. Wat van de weg af te zien was, moest er netjes bijliggen en die taak rustte bij de boerin. Op het voorerf lag de moestuin, ook wel ‘hof’ genoemd, waarvan de opbrengst bestemd was voor de eigen maaltijd. Groenten als wortelen, rode bieten, koolsoorten als boerenkool en witte kool, prei, bonen en uien werden verbouwd in simpele rechthoekige bedden; voor aardappels was meestal een groter stuk grond gereserveerd.

Bloemen waren voor de sier en dus voorbehouden aan rijke boeren.

Bloemen waren voor de sier en dus voorbehouden aan rijke boeren. Als er al bloemen verbouwd werden, dan stonden die ook in de moestuin netjes op een rij in dezelfde rechthoekige bedden. Pas vanaf het eind van de negentiende eeuw werden door de boerin ook volop sierplanten gekweekt, waarbij de moestuin ook wel verschoof naar de zijkant van de boerderij en de siertuin prominent aan de straat kwam te liggen. Vooral de formele siertuin, met geometrisch gevormde bloemperken in het gras of grind, werd populair. Traditionele boerenbloemen zijn zomerasters, afrikanen, goudsbloemen, begonia’s, pioenrozen, Oost-Indische kers, flox en dahlia.

De tuin werd omheind met een doornen haag – vaak een meidoorn - om ongenode gasten als kippen en konijnen te weren. Als zonwering voor de kaasmakerij werden leilinden voor het woonhuis aangeplant. Hoogstamfruitbomen met appels, peren, pruimen of kersen stonden in de boomgaard opzij van de boerderij. In het veenweide- en plassengebied lag de boomgaard vaak op een eilandje achter een rij beschuttende knotwilgen.

Op het achtererf is de boer de baas

Het achtererf was veel meer dan het voorerf naar buiten gericht en had een relatie met het landschap. Het onderhoud was er minder intensief dan op het voorerf; hier zag je een beetje rommel niet vanaf de weg! Op het achtererf lag de mestvaalt en hier werd het hakhout aangeplant in kleine bosjes. Die werden geriefhoutbosjes genoemd. Deze geriefhoutbosjes kwamen op iedere grondsoort voor. De bodem bepaalde welke bomen er in het bosje voorkwamen. Op de hoger gelegen zandgronden bijvoorbeeld overheerste de eik. Bij een nattere bodem werden essen, vlier en wilgen aangeplant. Het hout deed dienst als brandhout en de boer maakte er gereedschappen en koestaken van (dat zijn de houten palen op de deel waar de koeien tussen stonden). Ook zorgden de geriefhoutbosjes voor beschutting en luwte op het achtererf.

In het verleden werden boomgroepen en singels aangeplant om beschutting en luwte op de boerderij te bieden, in de huidige tijd hebben boomgroepen en singels een andere functie op de boerderij gekregen. Ze verzachten de harde en stenige contouren van de gebouwen op het erf en zorgen er voor dat er een verbinding wordt gevormd tussen het boerenerf en het landschap eromheen.

Bronnen en meer lezen

Kooij, Ben. (2012) Het grote boerderijenboek. Zwolle: Uitgeverij Wbooks

Leeuw, K. ., Dekker, A., & ARCADIS. (2008). Linten in de Leegte: Handboek groene bebouwingslinten in de Utrechtse Waarden. (Linten in de leegte.) Alblasserdam: Impuls Publiciteit.

Visser, I. ., Jong, D. ., & Bureau Helsdingen (Vianen). (2006). Kleur op boerderijen in het groene hart van Holland. Kinderdijk: Stichting Boerderij & Erf Alblasserwaard-Vijfheerenlanden.

Rooij, C.-J. ., & Karsemeijer, J. (1995). Boerenerven in de provincie Utrecht. Utrecht: Boerderijenstichting Utrecht.